Meester Hazenberg en ‘Het Wapen van Friesland’
Meer dan twee honderd jaar was er op de hoek van het Moleneind en de Zuiderbuurt een logement, ‘Het Hoff van Friesland’.
In deze bijdrage wordt de geschiedenis van het logement nagegaan en allereerst de persoon van meester Hazenberg (Roelf Hazenberg) onder de loep genomen en hoe hij eigenaar werd van het logement.
Jan Huisman verdiepte zich voor u in de geschiedenis van dit logement, gepubliceerd in 'Smelnes Erfskip', nummer 4 - oktober 2004. 

 

Meester Hazenberg en ‘Het Wapen van Friesland’.

.

Meester Hazenberg, een boerenzoon afkomstig uit Nuis, begon zijn loopbaan als hulponderwijzer in Ureterp.

Maar toen er in 1929 een vacature was aan de school in Noorderdragten leek hem dat wel wat.

Op 29 januari van dat jaar mocht hij in een vergelijkend onderzoek zijn didactische gaven tonen.

En dat viel blijkbaar goed uit, want het bestuur en de schoolopziener adviseerden aan de Grietman en Assessoren om hem te benoemen.

En dat gebeurde op 11 maart; op 1 april zou hij in dienst treden.

Voor de school, die aanvankelijk was gesitueerd bij het Noorderkerkhof, was in 1822 een nieuw gebouw in gebruik genomen. Het stond aan de Noorderdwarsvaart, even ten Noorden van de Schwartzenberg,

Naast het ‘tractement’ van ƒ 150,- per jaar, aangevuld met de schoolpenningen, had Roelf ook

‘vrij genot van de schoolwoning en de tuin’. Die ‘schoolwoning’ was gesitueerd in de school zelf.

De drie weken die volgden op zijn benoeming zullen wel hectisch geweest zijn. De verhuizing moest geregeld worden en de vrouw waarmee hij het jaar daarvoor was getrouwd, Ykje Alles Bakker, was hoogzwanger. Zij was een boerendochter, eveneens afkomstig uit Nuis.

Vijf dagen na zijn benoeming overleed in Nuis de oudste broer van Roelf, 25 jaar oud.

En een week later werden er twee jongens geboren. Eén daarvan overleed nog dezelfde dag. De andere jongen werd 30 dagen oud!

In de jaren die volgden werden er nog vier meisjes geboren. Maar de jongste daarvan leefde maar één uur.

En haar moeder, Ykje, overleed nog geen maand later.

Roelf bleef in 1836 dus achter met drie dochters, 5, 4 en 2 jaar oud.

Vijf jaar later heeft Roelf opnieuw een vrouw gevonden. Hij trouwt dan met Froukjen Jochems Beetsma, afkomstig uit Beetsterzwaag. Ze is de weduwe van Willem de Wendt en heeft één zoon.

In het volgende jaar bevalt ook zij van een tweeling, een jongen en een meisje.

Daarmee is het gezin uitgegroeid tot acht personen. En in de schoolwoning zijn maar twee behoorlijke slaapplaatsen! Daarom zou de ‘dienstmaagd’ moeten worden afgestoten!

Reden voor Roelf om te gaan werken aan verbetering van de woonomstandigheden.

Eerder, in 1836 had hij al eens gevraagd om een afzonderlijke deur in de school waar de kinderen in en uit kunnen gaan. Het is ‘onvrij en lastig langs de woonkamer, vooral in gure seizoenen’.

De nieuwe plannen legt hij voor aan het gemeentebestuur. De kosten worden geraamd op ƒ 350,-.

Maar de gemeente heeft hiervoor geen geld beschikbaar en het verzoek wordt daarom afgewezen. Maar Roelf is niet voor één gat te vangen en hij heeft wel wat achter de hand.

Zijn aanbod om het bedrag dan maar uit zijn eigen middelen voor te schieten wordt door de gemeente wel aanvaard.

In die tijd komt ook Froukjen te overlijden. En zo is Roelf na elf jaar voor de tweede keer weduwnaar. De tweeling is nog maar vijf jaar oud wanneer zij hun moeder moeten missen.

In 1851 krimpt het gezin in, zowel door een huwelijk als door een overlijden: in mei trouwt de oudste dochter, Grietje. De bruidegom is Johan Philip Spaar van der Hoek. Hij is de zoon van de bekende leerlooier, maar hij vestigt zich na enige jaren in Noordwijk als landbouwer.

De familie grossiert blijkbaar in meerlingen, want Grietje brengt zelfs een drieling ter wereld.

Enkele maanden na die bruiloft overlijdt van de tweeling de jongen, acht jaar oud.

In oktober 1852 krijgt het gemeentebestuur opnieuw met Roelf te maken. Nu vraagt hij ontslag als onderwijzer der jeugd en tevens uit de functie van wijkmeester. De schoolopziener laat aan het gemeentebestuur weten dat het verzoek om ontslag niet zal kunnen worden genegeerd, maar het kan in het belang van het onderwijs worden toegestaan dat hij tot 1 mei 1853 als onderwijzer in de school blijft fungeren.

Roelf was toen nog maar 46 jaar oud, dus voor deze ontslagaanvraag moet er wel een bijzondere reden zijn geweest. Om daar achter te komen wilden we de brief, waarin het ontslag wordt gevraagd, raadplegen.

Maar daar wordt je niet wijzer van! Roelf vraagt nl. ontslag ‘om de u welbekende reden’!

En dat maakt nog nieuwsgieriger.

Verder onderzoek leert dan dat Roelf op dat moment opnieuw een vis aan de haak heeft geslagen.

Hij trouwt voor de derde maal, dit keer met Janke Brandsma, de weduwe van Romke Posthuma.

En die Romke was in zijn leven de eigenaar van het logement met de naam: ‘het Wapen van Friesland’.  Het echtpaar was kinderloos en Janke erfde zo al zijn bezittingen.

Roelf werd door dit huwelijk dus mede eigenaar van het logement en dus ook logementhouder; en die functie wordt niet verenigbaar geacht met het onderwijzen van de jeugd.

Het Hof van Friesland

Wanneer het logement is gebouwd is niet duidelijk. Waarschijnlijk zal dat geweest zijn niet zo lang nadat in 1641 de vaart werd gegraven. Want het is een strategisch punt, daar waar de verbindingsweg van Noorderdragten naar Zuiderdragten de vaart kruist.

Het was, zeker voor die tijd, ook wel een imposant gebouw. Het had twee puntgevels, en op elk daarvan een schoorsteen.

We kwamen dit logement voor het eerst tegen in een speciekohier van 1759, waar vermeld wordt dat ‘Bernard Fabritius, vrijgesel’, bij Halbe Hanses, herbergier, in de kost was.

Nadat Halbe is overleden verhuurt zijn weduwe, Sytske Ayses, het logement aan een zekere Wijnhout Leffrings.

In 1773 verkoopt ze het pand en toebehoren aan Durk Tjallings en het wordt dan omschreven als  ‘een Stallinge, zijnde een Herberg, genaamt het Hoff van Frieslant, met de huisplaats van dien’. De opbrengst bedroeg 4.000 Carolie guldens.

Het pand overleefde de Franse tijd wel, maar de naam was een ander lot beschoren.

Die moest blijkbaar gewijzigd worden omdat anders te veel de herinnering werd opgeroepen aan het stadhouderlijke hof in Leeuwarden.

In 1803 wordt het dan ook in de Leeuwarder Courant genoemd met de naam ‘het Wapen van Friesland’. De eigenaar is op dat moment Roelof Wadman.

In 1816 wordt het voor vier jaar te huur aangeboden met de omschrijving: ‘Eene florissante Herberg, voorzien van onderscheidene Kamers en Slaapvertrekken, mitsgaders Paardenstallinge, staande op het aangenaamste van de Dragten, bij de brug aan de Zuidkant van de Vaart, het Wapen van Vriesland genaamd’,

Blijkbaar was Siebe Freerks Kampstra de eigenaar, want in 1820 wordt het door hem verkocht aan Louis Rinzes Kijlstra en Wiebe Geerts Veenstra, voor de prijs van ƒ 3.500, En zij verkopen het in 1837 weer aan Romke Posthuma en Janke Brandsma. Dit keer is de opbrengst ƒ 4.000,-

In november 1851 overlijdt Romke, 57 jaar oud. Janke is de enige erfgenaam en zij brengt het logement in de publieke verkoop. Er wordt een bod gedaan van maar liefst ƒ 7.955,-.

Toch verkoopt ze het niet voor dat bedrag, maar het wordt bij de finale toewijzing ingehouden.

Is dat misschien het moment dat Roelf Hazenberg in zicht komt?

Hij heeft het ten minste slimmer bekeken. Hij koopt het logement niet, maar hij trouwt in oktober 1852 met de kinderloze weduwe!

En dat dus binnen een jaar na het overlijden van haar eerste man!

In de jaren daarna wordt het inkomen van Roelf berekend op ƒ 850,-. Dat lijkt niet zoveel, maar het is zeker twee maal zoveel als zijn inkomen in de functie van onderwijzer. Overigens waren er, ook tijdens zijn onderwijzersloopbaan, vermoedelijk al wel andere inkomsten, want Roelf handelde regelmatig in onroerende goederen. En wie wil aantonen hoe slecht de onderwijzers het in die tijd hadden, heeft aan meester Hazenberg dus niet zo’n goed voorbeeld.

Voor het Wapen van Friesland verwierf hij, tenminste vanaf 1863 en in elk geval tot 1877, ‘het uitsluitend regt om de boterhandel, iederen donderdag, te doen plaats hebben in het locaal van het logement’.

Het beroep van herbergier/logementhouder beviel hem waarschijnlijk minder goed, want bij het huwelijk van twee dochters in1858 wordt hij omschreven als ‘zonder bedrijf’.

Hij zal toen het logement al wel verhuurd hebben.

Zijn vrouw, Janke Brandsma, overlijdt in februari 1877.

In 1880 komt er voor het logement een nieuwe huurder: Sietze Jacobs van der Hoek moet plaats ruimen voor Gurbe Rienks Kuipers, de schoonzoon van Roelf. Gurbe is nl. getrouwd met Heiltje, de 2e dochter. Gurbe woonde eerder in Veenwouden en was daar bakker.

De huur van het logement werd vastgesteld op ƒ 280, - per jaar en bij de huur was ook inbegrepen ‘een bleek en klaverpolle achter den rogmolen’

Op 8 november 1887 blies Roelf de laatste adem uit. Hij was 81 jaar geworden. Zijn nalatenschap had een waarde van ruim ƒ 13.000, - en omvatte naast het logement een huis met twee voorkamers, even verderop aan het Moleneind, en daar ook een blokje van vier woningen. Verder bezat hij een flink stuk tuingrond achter de huizen, nl. het zogenaamde ‘Gouden kampje’ en nog eens ruim 8 ha land, hoofdzakelijk rond Drachtstercompagnie.

En tenslotte: twee zitplaatsen in de Hervormde kerk! Die mannenzitplaats werd gekocht door Sybe Osinga, tabaksfabrikant, voor ƒ 51,- maar de vrouwenzitplaats werd aangehouden. Zo bleef Heiltje tot aan haar dood in 1908 verzekerd van een gereserveerde plaats in de kerk.

Gurbe Kuipers kocht voor een bedrag van ƒ 4273, - het logement en een stukje tuingrond uit de nalatenschap.

Dat was in 1888. Maar twee jaar later overleed Gurbe al. Hij was 61 jaar geworden. Zijn zoon Rienk werd uit Veenwouden gehaald -hij was daar notarisklerk- om de dagelijkse leiding van het logement op zich te nemen.

In 1897 was er een boedelscheiding en daaruit kocht Rienk toen het logement en de tuin voor ƒ 5000, -.

De jongste zus van Rienk, Aukje, trouwde met Martinus Keuning. Hij was weduwnaar van Titia Viersen, haar nicht, en een andere kleindochter van Roelf. Martinus was slager en de slagerszaak op de Zuidkade is tot 1999 in het bezit geweest van die familie.

Het logement werd door Rienk in 1909 verkocht aan de koopman Klaas Weening en dit keer was de opbrengst ƒ 10.000, -. Het jaar daarop wisselde het al weer van eigenaar: koper was de heer Talsma, kastelein in Gorredijk.

In 1927 blijkt de heer W.Landman intussen de eigenaar te zijn geworden. Hij krijgt in dat jaar vergunning tot nieuwbouw.

Het oude pand wordt eerst afgebroken. Volgens een ooggetuige stortte daarbij de zolder op een bepaald moment in. Werklieden op een ladder kwamen met de schrik vrij.

Vervolgens werd het nieuwe pand gebouwd, zoals we dat nu nog op die plaats kennen. Het was een ontwerp van de architect G.M.van Manen.

Op de begane grond was een gelagkamer met daarachter een keuken en vervolgens nog een kamer. Op de eerste verdieping was een kleine zaal, afgescheiden van een grotere zaal met toneel. En op de zolder ten slotte waren vier slaapkamers en twee kleedkamers.

 Na de oorlog is het pand nog een aantal jaren in bezit geweest van dhr.L.Hamburg, maar in 1959 verloor het pand definitief zijn functie als logement.

Het gebouw staat er nog, maar ook de naam ‘het Wapen van Friesland’ is van de gevel verdwenen.

Overigens: het logement was in de laatste jaren van zijn bestaan ook beter bekend als ‘Hotel Hamburg’!

In 1960 opende Albert Heijn er een eerste supermarkt en tien jaar later vestigde R.de Boer in het pand een behangzaak.

 

Nu is er een schoenenwinkel van Dolcis in gevestigd.